Afscheid

Een verhaal van Wouter van der Toorn | Leestijd: 14 minuten

Tuinhuisje

Bij het plaatselijke ziekenhuis stopt een zwarte mercedes. De chauffeur stapt uit en opent het portier voor een oudere dame. Terwijl de wagen wegrijdt blijft ze aarzelend staan en neemt het oude karakteristieke gebouw in zich op. Haar zwarte mantel knoopt nog dichter terwijl ze haar rug wat recht. In haar linkerhand heeft ze haar handtas geklemd, met haar rechterhand steunt ze op een zwarte wandelstok. Rustig maar kordaat loopt ze dan via de draaideur naar binnen. 'Kan ik u ergens mee helpen?' vraag een vriendelijke man van achter de balie, als ze loopt te dralen in de grote hal. 'Oh, ja, graag meneer. Ik ben hier niet bekend,' reageert ze wat opgelucht. 'Als het goed is meneer Joosse, Hendrik Joosse, opgenomen. Kunt u voor me kijken op welke kamer hij ligt?' De man achter de balie tikt de naam in zijn computer in. 'Heeft u meer informatie van hem, want ik moet zeker weten of ik de goede heb.' 'Hij is geboren in 1937, op 11 augustus. We zijn uit dezelfde maand, moet u weten.' De man kijkt even op van achter zijn computer, lijkt een vraag te willen stellen, maar slikt de vraag weer in. 'Meneer Joosse is opgenomen op afdeling Neurologie, kamer 27. Als u de lift neemt naar de vierde etage, ga dan bij het verlaten van de lift direct naar links. Daar is de afdeling. Het bezoekuur is bijna afgelopen, dus informeer bij de verpleegkundigen of u nu bij hem op bezoek kunt komen.'

Op de afdeling gekomen loopt ze direct naar de balie van de verpleegkundigen. 'Goedenavond, als het goed is is meneer Joosse hier opgenomen en hij zou liggen op kamer 27. Kan ik hem bezoeken? Ik hoop het wel, want ik ben lang onderweg geweest hiernaartoe.’ De verpleegkundige kijkt haar eens aan. ‘Het gaat niet zo goed met meneer Joosse. Ik zal aan mijn collega vragen of u erbij kunt,’ en ze loopt het kantoortje binnen waar het dienstdoende personeel zit koffie te drinken.

Ik hoopte hem nog een keer te kunnen zien. Het is vijftig jaar geleden dat ik hem voor het laatst heb gezien

‘Dag mevrouw, ik ben dokter Krol, behandelend arts van meneer Joosse.’ Een blonde dokter met een even blond millimeter baardje komt op haar toegelopen en geeft haar een hand. ‘Dag dokter. Ik ben mevrouw Antoinette DeClaere, een oude vriend van meneer. Ik hoopte hem nog een keer te kunnen zien. Het is vijftig jaar geleden dat ik hem voor het laatst heb gezien.’ De dokter zwijgt even, zijn helderblauwe ogen kijken de oude dame aan. ‘Loopt u even met me mee, dan kunnen we eerst even praten’, zegt de dokter en hij opent de deur naar een spreekkamer die smaakvol is ingericht als huiskamer. Ze neemt plaats op de bank en de dokter gaat tegenover haar zitten in een van de fauteuils. ‘Mevrouw DeClaere, het gaat niet goed met meneer Joosse. Hij is vorige week opgenomen met een lichte beroerte, maar vanmorgen is er een tweede, veel ernstiger beroerte overheen gekomen. Hij is weer bij, maar nauwelijks in staat om te communiceren. En of hij hier bovenop komt, is maar de vraag. We zijn de afgelopen dagen op zoek geweest naar familie. Hij blijkt een zoon te hebben in Australië, maar we hebben er geen contact mee kunnen krijgen. Verder kunnen we niemand vinden. Hoe kent u hem?’ Dan vertelt de grijze dame over die ene zomer, 51 jaar geleden. Zij was 27, hij was 30. Zij was de rijke dame, wonend op kasteel Molenbeeck, vrouw van baron DeClaere. Dat maakte van haar barones DeClaere. Hendrik was de tuinier. Haar huwelijk was gearrangeerd door de rijke families, voor haar ongelukkig en verstikkend. Toen hij in de late lente de kasteeltuinen onder handen moest nemen en een nieuw prieeltje moest bouwen, leerde ze hem kennen. In het begin was hij gewoon een van de vele mensen die de handen uit de mouwen moest steken, maar in de vroege zomer hielp hij haar met het uitladen van een auto vol spullen. Hij was aardig, vriendelijk, bescheiden. Zijn donkere ogen keken levenslustig de wereld in, hij bruiste van energie. Er was een vonk overgesprongen. Haar man, baron DeClaere, was vaak van huis en ze vermoedde dat hij maîtresses had, maar daar heeft ze nooit naar gevraagd, omwille van de lieve vrede. Deze Hendrik was als een frisse bries tijdens de verzengende hitte, als de warme zon op je huid tijdens een frisse winterochtend. Sindsdien was ze vaak even door de tuinen gaan wandelen, om hem tegen te kunnen komen. Dan nam ze een thermoskannetje koffie voor hem mee, en vaak ook cake of appeltaart. Zo was het begonnen. ‘Ik was verliefd op hem geworden, dokter. Eigenlijk is hij mijn enige liefde in mijn leven, de enige waar ik ooit echt van heb gehouden. Maar allebei wisten we dat het niets kon worden. Mijn omgeving zou het nooit accepteren dat er een romance zou ontstaan met een boerenpummel. En hij, hij voelde zich als de eenvoudige en onbelangrijke tuinman, zo’n man waar je overheen zou kijken. Niet de moeite waard. Maar ik keek niet over hem heen. Hij was de zon en de maan voor mij. Door hem kreeg ik weer zin om op tijd uit bed te komen.’ De grijze dame lijkt helemaal op te gaan in vroeger tijden als ze haar herinneringen deelt. De dokter is rustig achterover in de fauteuil gaan zitten, de benen over elkaar, handen in zijn schoot. Gebiologeerd door haar verhaal lijkt hij ook het gevoel voor tijd kwijt te raken. ‘Hendrik, nooit heb ik van iemand zo gehouden als van hem. Mijn man begon argwaan te krijgen en zei hem zijn ontslag aan. Hij mocht zijn klus nog afmaken, maar het zou na twee weken voorbij zijn. Dan zou ik hem nooit meer terugzien. Ons afscheid was intens, liefdevol, vurig en verdrietig. We hebben uren doorgebracht in het nieuwe prieeltje, dat hij had gebouwd, helemaal achterin de kasteeltuinen. Nooit heb ik iemand zo liefgehad, nooit heb ik mezelf zo aan iemand overgegeven als bij ons afscheid. ’ Warme tranen rollen over haar wangen. De stilte die valt lijkt nodig te zijn om weer terug te komen in het heden.

Of hij de morgen gaat halen, weten we niet eens. Wilt u hem zien?

De dokter verbreekt uiteindelijk de stilte. ’Mevrouw DeClaere, bijzonder dat u dit met me deelt. U bent misschien net op tijd om Hendrik nog eenmaal te zien. Hij zal niet zijn zoals u zich herinnert. De beroertes hebben ervoor gezorgd dat hij niet meer kan communiceren. Hij is verlamd, maar zijn ademen gaat nu ook steeds moeilijker. We zijn voorbereid op het einde. Hij kan weer opknappen, maar het ziekteverloop is grillig en moeilijk voorspelbaar. Of hij de morgen gaat halen, weten we niet eens. Wilt u hem zien?’ De statige barones laat de boodschap van dokter Krol op zich inwerken. ‘Ja, ik zou hem graag nog één keer willen zien,’ en ze staat op.

Als ze bij kamer 27 komen, klopt de dokter kort op de deur en opent de deur zachtjes. De verlichting is wat gedimd in de kamer. In een ziekenhuisbed ligt een bleke man. Zachte piepjes klinken uit de apparatuur die om het bed heen staan en met slangen en kabeltjes zijn verbonden met de patiënt. Antoinette blijft staan in de deuropening, met haar ene hand leunend op haar wandelstok. Haar andere hand legt ze op haar hart en ze kijkt intens naar die man daar in bed. Daar ligt hij dan, haar Hendrik, haar enige liefde. Hij is nog steeds haar Hendrik, al heeft ze hem nooit meer gezien na die ene avond in de zomer van 1967. Die avond was ze de prinses en was hij de prins. Zij was de warme zomer en hij de koele bries. Zij was de gevangene, hij hielp haar ontsnappen. Langzaam loopt ze dichterbij naar de man daar in het bed. Door zijn bleke huid en witte haren ziet hij er breekbaar uit. Een grauwe sluier lijkt over zijn gezicht te hangen. ‘Dag meneer Joosse, er is bezoek voor u,’ zegt de dokter tegen de patiënt. Hij opent langzaam zijn ogen en draait zijn hoofd wat richting de deur. Als hij de oude dame ziet staan, lichten zijn ogen op. Hij zou wel willen praten, maar het lukt nauwelijks. ‘Anne!’ Het was zijn koosnaam voor haar. Een kleine scheve glimlach verschijnt op zijn bleke gezicht. De verlamming heeft bijna alle uitdrukking van zijn gezicht laten verdwijnen. De dokter checkt ondertussen de waardes op de schermpjes van de apparatuur naast het bed van de oude tuinman. ‘Meneer Joosse, deze mevrouw wilde u heel graag zien. Ik heb haar uitgelegd hoe het met u gaat. Ook dat u nauwelijks kunt praten, maar nog steeds alles hoort en begrijpt. Vermoei uzelf maar niet met het proberen een gesprek te voeren. Vindt u het goed als deze dame hier bij u komt zitten?’ De patiënt knippert een paar keer met zijn ogen als instelling, en de dokter zet een stoel direct naast het bed, zodat de twee oude geliefden elkaar kunnen zien. Antoinette schuifelt naar het bed toe, zet haar wandelstok tegen de rand aan en pakt de bleke handen die op de witte lakens liggen. Dikke tranen rollen over haar wangen. ‘Och mijn lieverd, waarom moet je hier nu zo alleen liggen. Ach m'n mooie jongen. Ik ben zo blij dat ik je toch nog kan zien!’ en haar gerimpelde handen aaien over zijn witte haarbos. Tranen wellen ook op in zijn ogen terwijl hij haar helemaal observeert. ‘Sor---ry’, probeert hij uit te brengen, maar het kost hem duidelijk veel inspanning en is nauwelijks verstaanbaar. ‘Rustig maar Hendrik, je hoeft me niets te zeggen. Dat is moeilijk voor je hè. Zal ik dan maar wat vertellen?’ Ze gaat op de stoel zitten die de dokter heeft klaargezet. ‘Ik zal jullie alleen laten, is dat goed?, vraagt de dokter. ‘Als er wat is, gebruik dan de bel maar die hier aan het bed hangt. Dan komt er direct iemand van de verpleging bij.’

Had ik je maar nooit laten gaan, maar ik wist niet hoe ik het anders had moeten doen.

De oude statige barones pakt met beide handen de hand van haar vroegere liefde vast en streelt langzaam de bleke huid. Minuten lang zit ze oog in oog met de man die haar leerde wat liefde was. De herinneringen jagen door haar hoofd en dan begint ze te vertellen. ‘Weet je het nog, Hendrik, toen we elkaar voor het eerst tegenkwamen? Je was een van de vele mensen die bij ons kwam werken, maar jij was net even anders dan de rest. Je had mooie zwarte ogen, en die heb je nog steeds. Die zijn helemaal niets veranderd. Je kuif was ook lekker zwart. Een echte mooie jongen. Ik had jou eerder door dan jij mij volgens mij. Zo’n deftige dame was natuurlijk niets voor jou. Maar jij wel voor mij hoor. Al kon het niet hè, een tuinman met een vrouw van adel. Ik heb die zomer zoveel wandelingen in onze tuinen gemaakt. Ik wilde je gewoon tegenkomen. Thuis was ik ongelukkig en kreeg ik geen aandacht. Jij liet me de planten en bloemen zien. Zoals jij de tuin en de natuur zag, zo had ik nooit gekeken. Zoveel liefde had jij voor alles wat je deed. In jou vond ik het goede van het leven. Had ik je maar nooit laten gaan, maar ik wist niet hoe ik het anders had moeten doen.’ Hendrik staarde bewegingloos naar het plafond, luisterend naar al die herinneringen. ‘Och lieverd, kon ik je gedachten nog maar eens horen,’ reageert Antoinette, als ze hem zo in zijn bed ziet liggen. ‘Zal ik maar doorgaan met de zomer van 1967?’ Uit het geknipper van zijn ogen begrijpt ze dat ze mag doorgaan. De adem stokt af en toe, het kost hem duidelijk moeite. ‘Ik weet niet hoeveel appeltaartjes ik voor je heb gebakken. Nog steeds denk ik terug aan de mooie zomer als ik weer de geur ruik van vers gebakken appeltaart. Natuurlijk maakte ik ze speciaal voor jou, maar de rest van de huishouding genoot er ook van. De koffie zette ik vers, het thermosflesje heb ik speciaal voor jou op de kop getikt in de stad. Hij staat nog steeds in het keukenkastje. Nooit heb ik em weg kunnen doen. En iedere keer dacht ik weer aan jou: dat we even koffiepauze hadden en op de stoeltjes zaten voor het prieeltje. Die had je als eerste klus gebouwd, achterin de tuinen. Eigenlijk is het prieeltje nog steeds mijn enige echte kasteel. Daar ben ik thuis. Iedere dag drink ik er mijn thee en lees ik er de krant of een boek. De oude platenspeler staat er ook nog. Vaak speel ik de LP’s met die walzen van Tchaikovsky, je weet wel, die waar we af en toe op dansten. Jij en ik konden beiden niet dansen, maar niemand die ons er kon zien. Het was mijn excuus om dichtbij je te zijn, om je vast te houden. Soms dans ik alleen door mijn eigen paleisje en in gedachten ben je er altijd bij. Dat is al die jaren zo gebleven. Het zijn de zoetste herinneringen die ik heb. Mijn leven lang heb ik geteerd op die zomer van 1967.’ De barones onderbreekt haar verhaal soms met een vredige stilte. De apparatuur bliept zachtjes in een traag tempo in de kamer, de adem van de oude man gaat zwaar. ‘Toen mijn man erachter kwam dat ik je regelmatig opzocht in de tuin, was hij laaiend. Hij verbood me om je nog op te zoeken en heeft je direct ontslagen. Je moest het project nog afmaken, we hadden twee weken om afscheid te nemen. Die ene middag had ik de kans. Mijn man was voor twee dagen weg naar de stad en ik had deze ene kans. Ik heb me mooi gemaakt voor je. Mijn lippen gestift, mijn haren mooi in de krul. En mijn rode jurkje aan. Zo had je me nog nooit gezien, en je wist niet wat je overkwam toen ik je achterin de tuin kwam opzoeken tijdens de pauze. Ik weet nog dat ik je nog één keer wilde laten weten dat jij me hebt laten zien dat de liefde echt bestaat. Sinds ik jou kende geloofde ik dat het kan, echt liefhebben, echte liefde, echte overgave.

We hebben samen koffie gedronken, mijn beste appeltaart gegeten, gedanst op Tchaikovsky en op ‘You Got What It Takes’ van Marv Johnson. Die laatste heb jij me geleerd, want zulke muziek kende ik niet. Je mocht me helemaal hebben en ik heb je het wel een paar keer moeten zeggen dat ik het echt allemaal wilde. Je blote lijf, ik kan het me allemaal nog zo goed herinneren. Toen was ik de prinses en jij de prins. Je aanbad me. Jij deed zo teder en zacht, ondanks je ruwe tuinmannenhanden. En ik wilde dat het nooit zou stoppen, dat die avond voor eeuwig zou zijn. Je hebt me de hemel laten zien, die ene keer. Die herinnering haal ik iedere dag weer op. Het heeft me op de been gehouden. Nooit weer heb ik de hemel gezien.’ Haar ogen blijven rusten op het bleke gezicht van haar prins. Zijn ademhaling gaat onregelmatig en het kost hem zichtbaar moeite. Hij kijkt haar aan, onmachtig om te reageren. Tranen lopen over zijn witte wangen. ‘Hendrik, wat zou ik het graag anders hebben gedaan. Ik had met je mee moeten gaan. Niet thuis. Nooit heb ik het geluk geproefd, als die ene zomer. En jij bracht me de hemel.’ Met haar hand streelt ze hem zachtjes door zijn witte haren en over zijn bleke gezicht. Met een zakdoekje droogt ze zijn tranen. ‘Nog één keer wilde ik je zien. Om je te bedanken voor alles. Jij bent de enige waar ik ooit van heb gehouden.’ Nu rollen ook dikke tranen over haar wangen en een stilte volgt.

De stilte wordt verstoord door alarmsignalen van de apparatuur naast het bed van de oude man. De deur gaat open en de dokter en een verpleegkundige haasten zich zachtjes naar het bed. Met een laatste snik en een diepe zucht vloeit het leven uit de tuinman weg, een vredige glimlach achterlatend op zijn gezicht. ‘Dag Hendrik. Ik hoop dat jij de hemel nu ook heb gevonden’, fluistert Antoinette, terwijl ze zijn hand loslaat. Ze geeft een zachte kus op zijn witte wang die nog nat is van de tranen. Dan pakt ze haar wandelstok en loopt de kamer uit, de tuinman achterlatend in de laatste zorg van het ziekenhuis.

1 reactie

  1. petra op 09-11-2018 om 21:57

    wow….!!!!

Laat een reactie achter